28-10-2024. Het is even zoeken op de natuurbegraafplaats. Lopend door het bos treft mij de stilte der dingen. Na een minuut of tien, rechts voor de bomen, sta ik dan voor de graven. De tranen lopen nu. Tante Gré ligt er al iets langer en pas sinds kort oom Luuk ook.
Uit het niets regent het opeens bladeren door een windvlaag, maar eigenlijk alleen om mij heen. Een van de blaadjes vindt een weg onder de boord van mijn overhemd, hoewel ik de jas vrij dicht heb. Ik pak het vast. De wind is net zo snel weg als hij kwam. Zo sta ik vijf volle minuten in volledige stilte. Dan breekt er een enorme tak van een boom, tien meter verderop.
‘Hoi oom Luuk,’ zeg ik.
Met name met hem had ik een stevige band, ruim de eerste helft van mijn leven. Als vriend van mijn ouders werd hij mijn tweede vader. Meer dan vijfentwintig jaar had ik hem niet gezien toen de tijding van zijn overlijden kwam. Het leek een week. Herinneringen, verankerd in de krochten van mijn brein, banen zich sindsdien als een warme golf naar boven. Liefde is soms latent. Tijd is relatief.
Ruim vijftien zomervakanties vierde ik met hem in Spanje. Het lijkt alsof het gisteren was toen hij mij twee kilometer over het strand naar de dokterspost droeg, nadat ik in een zee-egel was gestapt. Ik was al niet meer de kleinste en sterk was hij. Te sterk voor mij tijdens worstelpartijen in zee waarbij hij me met gemak met een hand onder water hield. Soms te lang naar mijn smaak en dan was ik boos op hem. Toen ik bier mocht drinken van mijn ouders bestelde hij op een vol terras een borrelglas bier voor me, luid lachend. Luid kon hij zijn inderdaad, ik vond het prachtig.
In de jaren zeventig nam hij mijn vader en mij mee met de AVRO Rally; een zaterdagse puzzeltocht met de auto. Later nam ik ook vriendjes mee, hij vond het allemaal best. Hij genoot van zo’n dag want hij was een man die altijd het contact zocht. Verbaal altijd aanwezig, misschien had het ook met zijn werk te maken. Hij was vertegenwoordiger en klom later verder op in het autogaswezen. Hij nam steevast allerlei promotiemateriaal voor me mee zodat mijn slaapkamer een etalage leek. Na mijn diensttijd had ik wat ze nu een tussenjaar noemen en bezorgde hij me een baan bij een tankstation, via zijn connecties. En op zaterdag waste ik zijn auto, want dan kon ik mooi bijverdienen.
Dia’s mocht hij graag maken, een hobby die ik van hem overnam. En hij was er vroeg bij op het gebied van video-editing. Dat vond hij mooi. Met zijn analoge apparatuur was hij toen best zijn tijd vooruit als hobbyist. We lachten hem er soms om uit om hem te plagen maar ook deze hobby nam ik van hem over. Oom Luuk was de kerel die stug volhield dat de literfles geen priklimonade bevatte maar gazeuse dat goed geschud moest worden, waarna de rode drank tegen het plafond spoot. Dus ja, je kon hem ook wel uitlachen.
Hij vroeg echt veel te vaak of ik al verkering had. Net zo vaak keken we Start Trek, zondagmiddagen lang. Schaken deden we ook ontzettend vaak, ik won bijna altijd. Als hij er zat van was dan deed hij of het een behendigheidsspel was en griste de laatste stukken voor mijn neus weg waardoor hij dan won. Ik moest dan lachen. Zwemmen deed ik met hem op de zwemclub en we gingen naar FC Groningen en naar de TT Assen. Zeer vaak ook samen met mijn vader, die weliswaar zijn vriend was maar hem vaak ook irritant vond omdat oom Luuk hem met zijn geestdrift en verbale vaardigheid overtroefde voor zijn gevoel. Ik vond het onzin en deed daar eigenlijk niets mee.
Oom Luuk ging voor me door het vuur. ‘Gerrit,’ noemde hij me vaak gekscherend. Echt ontelbare en door elkaar lopende herinneringen, ik zou u er verder maar mee vervelen. Vakanties, zondagen, hij was er echt zo vaak. Toen ik ruim in de twintig was kwam hij ook nog gewoon langs op feestjes die ik gaf voor mijn vrienden. Hij was zo’n groot onderdeel van mijn leven.
En toen opeens ook niet meer. Aan de jarenlange vriendschap met mijn ouders kwam een einde. Ik snapte nauwelijks waar het nou eigenlijk om ging, maar het was voorbij. En ik? Ik was inmiddels druk met echtscheidingen, andere huizen en andere banen en zo dobberde ik ook weg. Een week werd een maand, een jaar. En zo verstrijken vijfentwintig jaar en meer. En op het moment dat ik hoorde dat hij dood was vervloog die tijd, maar wist ik dat ik hem nooit meer zou zien. Tijd is absoluut.
Met het blaadje nog steeds in mijn hand slenter ik terug naar de auto door het herfstbos. Het doet me pijn dat hij er niet meer is en ik hem niet meer opzocht. Ik volgde hem wel wat op afstand, sprak over hem bij de kapper en volgde wat facebookberichten over hem. Hij was zo trots op zijn kinderen en kleinkinderen. Ook dat vond ik prachtig. Maar het was allemaal niet genoeg. Ik voel dat nu.
Ik kijk nog een keer om.
‘Dag oom Luuk,’ zeg ik.

Lukas de Jong
16 juli 1936 – 18 juli 2024