Home » Schrijven » Zieligemensen » De heer Alzheimer

De heer Alzheimer

Nog maar net had ik een paar moeizame stappen buiten gezet of een heer sprak mij aan.
‘Het zonnetje hebben we er mooi bij,’ zei hij. Ik keek hem even aan en zag een gezicht dat er ouder uitzag dan de mijne, een toenemende uitzondering. Misschien moet ik de programmeertaal R er eens op loslaten.

‘Vanmiddag komt er wel regen,’ antwoordde ik, maar beet mijn tong bijna af bij zoveel negativiteit in mijn repliek. Het deed de heer echter niets. Hij keek me blij aan, lief eigenlijk.
‘Ik wandel met hem,’ zei hij, en hij wees op de stoep. Ik dacht eerst dat er een stuk van het zwanennest even verderop was afgebroken en op de stoep was gewaaid, maar het bleek een hondje te zijn. Het diertje lag er lui bij.

‘Hij moet naar de kapper,’ zei de heer, alsof hij mijn gedachten kon lezen, ‘maar de kapper is op vakantie, en om nou naar een ander te gaan…’
Hij keek me verwachtingsvol aan.
‘Nee, nee, ben je mal,’ antwoordde ik haastig. Ik keek hem aan. Ik was benieuwd of hij meer wou vertellen. En ja.

‘Ik ben bijna tachtig,’ zei hij.
‘Dat is je niet aan te zien,’ zei ik, naar waarheid.
‘Ja, nou,’ antwoordde de heer. Hij maakte een flauw wegwerpgebaar.
‘Ik heb Alzheimer.’

Ik keek naar hem. Hij keek me weer zo lief aan.
‘U woont hier?’ vroeg hij, wijzend op mijn voordeur waar ik net uit kwam.
‘Ja hoor,’ zei ik. Zelden spreek ik briljant.
‘Wij wonen nu daar,’ zei hij, naar verderop wijzend. ‘Dat tweede portiek. Ik woonde eerst in een vrij groot huis, maar dat kan nu niet meer. Mijn vrouw is zesenzeventig en die heeft niks. Maar ja, als ik wat moet doen dan wordt dat niks. Daarom wonen we nu hier.’

Ik vond het zielig. Maar dat zei ik niet. We spraken wat over hoge huren.
‘Ik woon nu daar,’ zei hij opeens, ‘in dat tweede portiek, ik…’
Hij zweeg even.
‘Nou ja, daar heb ik weer zo’n zo’n zo’n dingetje.’ Hij stamelde een beetje.
‘Ach,’ zei ik, ‘dat geeft toch niks.’

‘De dokter zegt dat ik niet steeds stil moet zitten,’ zei hij, ‘dan gaat het nog wel drie, vier jaar redelijk goed.’ Hij bewoog zijn hand erbij alsof hij aan het wikken en wegen was. ‘Ik moet wandelen. Ik loop ‘s morgens dát rondje,’ hij wees met een zwaai naar links, ‘en ‘s middags dát rondje,’ naar rechts wijzend. ‘De hond weet de weg ook.’
‘Voor als je het niet meer weet,’ zei ik zacht.
‘Ja, precies,’ zei hij.

We stonden wat. De zon scheen nog, maar vanmiddag zou de regen komen. We namen afscheid. Hij slofte richting tweede portiek, het hondje aan zijn zijde. Ik keek ze na tot de deur achter hen in het slot viel.